Tremor

Functionele tremor (trillen) is de meest voorkomende functionele bewegingsstoornis.

 

Kenmerken

Een tremor is een ritmische trilling van een arm, been of een ander lichaamsdeel, zoals het hoofd of de tong. Bij een functionele tremor kan het trillen gedurende de dag komen en gaan. Soms wordt het trillen ineens heel heftig. Ook kan de snelheid van het trillen veranderen. De trillingen zijn niet onder controle te houden. Ze gebeuren onbewust. Dit kan erg beperkend zijn in het dagelijks leven.

Een functionele tremor begint vaak plotseling, maar kan ook langzaam ontstaan. Het kan bijvoorbeeld beginnen na:

  • Een blessure of pijn in een arm of been.
    Soms komt het voor bij complex regionaal pijnsyndroom (CRPS).
  • Een bijwerking van medicijnen
  • Flauwvallen met schokkende bewegingen
  • Een infectie met hoge koorts en rillen
  • Een heftige schrikreactie of paniekaanval
  • Een periode van ‘dissociatie’ (je voelt je afwezig of alsof je er niet helemaal bent), ook zonder angst
  • Een bestaande tremor (zoals essentiële tremor) die sterker is geworden door een functionele tremor
 
Inwendige tremor

Veel mensen met een functionele neurologische stoornis (FNS) voelen soms een trilling vanbinnen, zonder dat anderen dit kunnen zien. Dit heet een interne tremor.

Soms is er een heel lichte trilling die bijna niet zichtbaar is. Dit kan erg vervelend zijn. Het kan helpen om te weten dat meer mensen dit ervaren.

Normaal heeft iedereen een heel lichte trilling als je je handen naar voren uitstrekt. Dit heet een fysiologische tremor en is normaal.
Bij sommige mensen wordt de hersenen zich hier extra bewust van. Daardoor voelt of lijkt de trilling sterker. Je kunt het vergelijken met een volumeknop die te hard staat afgesteld.

 
Hoe wordt de diagnose gesteld?

De diagnose wordt gesteld door een neuroloog die verstand heeft van de verschillende soorten tremor om een goed onderscheid te kunnen maken.

De neuroloog kijkt vooral naar variatie bij het stellen van de diagnose:

1. De 'overname-test' (in het Engels: entrainment).

Hierbij tikt de patiënt met zijn goede arm of been mee met een opgelegd ritme. Vaak verandert dan de snelheid van de tremor of verdwijnt de tremor zelfs.

2. De patiënt heeft moeite om ritmische bewegingen te maken met de goede hand.

3. De tremor stopt weleens gedeeltelijk of helemaal zoals bij afleiding. Dit in tegenstelling tot de tremor bij de ziekte van Parkinson die dan juist zichtbaar wordt.

4. Er is een variabele snelheid (frequentie) of uitslag (amplitude) van de tremor.

5. De tremor verergert als iemand de aangedane arm of het trillende been stil probeert te houden.
 

Aanvullend onderzoek

Bij twijfel over het type tremor bij neurologisch onderzoek wordt er soms aanvullend onderzoek gedaan d.m.v. een tremorregistratie. Aan de hand van een meting van de spieractiviteit (myografie), soms in combinatie met een meting van de hersenactiviteit (EEG), wordt bekeken waar het patroon van de trillingen het beste bij past.

© Al het materiaal op deze website staat onder copyright en mag zonder toestemming niet gekopieerd en gebruikt worden.